De financiën van onze gemeente: wat de cijfers écht vertellen

De jaarrekening 2025 van gemeente en OCMW werd goedgekeurd op de gemeenteraad van juni. In plaats van me tot enkele cijfers te beperken, wil ik de tijd nemen om u in detail uit te leggen waar we staan, hoe we hier gekomen zijn en waar we naartoe willen.

Waarom ik deze keer in detail treed

Sinds onze aantreding is de prioriteit van het voltallige college duidelijk: zorgen voor een gezond en rigoureus beheer van onze gemeente. Dat is geen campagneslogan, maar de rode draad doorheen elke beslissing die we nemen.

Gemeentefinanciën zijn technisch, en cijfers kan je bijna alles laten zeggen. Net daarom wil ik transparant zijn: dit zijn de cijfers, zo moet u ze lezen, en dit doen we ermee.

De jaarrekening 2025 in één oogopslag

Enkele bijkomende richtpunten: onze gemeente telt 14.760 inwoners. De bezoldigingen bedragen 13,59 miljoen euro (waarvan 3,4 miljoen voor het onderwijzend personeel, ten laste van de Vlaamse overheid), of 912 euro per inwoner. Goederen en diensten bedragen 4,32 miljoen euro (290 euro per inwoner) en de investeringen 5,09 miljoen euro (341 euro per inwoner). Op de lopende leasings na — voornamelijk de verledding van de openbare verlichting via Fluvius — zijn gemeente en OCMW schuldenvrij.

Vergelijk met het verleden, niet alleen met het budget

U zult vaak lezen dat een resultaat « beter is dan begroot ». Die vergelijking heeft wel degelijk nut: ze toont wat werd uitgevoerd, wat niet, en waarom. Maar ze zegt niets over de gezondheid van een gemeente, om een eenvoudige reden: het budget wordt door de verkozenen zelf opgesteld. Een voorzichtig budget levert automatisch goede resultaten op, jaar na jaar, zonder dat er ook maar iets verbeterd is.

Om eerlijk te oordelen moet je dus naar de evolutie in de tijd kijken. Hier is ze, over zes boekjaren:

Evolutie over zes jaar

Daar komen twee vaststellingen uit.

Onze werkingsuitgaven stegen met 27 % op vijf jaar, terwijl onze ontvangsten met 26 % toenamen. Een deel daarvan is inflatie, die tussen 2021 en 2023 bijzonder hoog lag, en ik ga niet beweren van niet. Maar die stijging is niet gelijk verdeeld: de uitgaven voor algemeen bestuur gingen van 5,50 naar 7,75 miljoen euro, een toename van 41 %, terwijl die voor thuiszorg en de sociale dienst daalden. Het zijn onze structuurkosten die het snelst zijn gegroeid.

En vooral: al de rest heeft moeten wachten. De rechterkolom isoleert wat we buiten het nieuwe administratief centrum hebben geïnvesteerd — de werf zelf, de omgevingsaanleg, de binneninrichting, het meubilair en de uitrusting van de diensten die er huizen. Het resultaat is opvallend constant: tussen 1,03 en 1,71 miljoen euro per jaar, elk jaar van 2020 tot 2024, gemiddeld 1,38 miljoen.

Anders gezegd: van de 29,3 miljoen euro die tussen 2020 en 2024 werd geïnvesteerd, ging 22,5 miljoen naar het NAC. Dat is meer dan drie kwart. De rest van de gemeente — onze wegen, riolering, scholen, voetpaden, sportgebouwen en kerkhof — moest het met de overblijvende 6,9 miljoen doen.

En zelfs die bedragen zijn nog geflatteerd, want ze bevatten uitgaven die geen enkele gemeentelijke infrastructuur financieren. Drie voorbeelden uit diezelfde jaren:

●       777.344 euro investeringstoelagen aan de politiezone tussen 2022 en 2024, voor camera's en een dakvernieuwing. Nuttig — maar het is ons patrimonium niet.

●       345.761 euro erelonen betaald in 2023 en 2024 voor het ontwerp van de nieuwe loods, waarvan de werf pas midden 2025 is gestart.

●       203.762 euro erelonen in 2023 en 2024 voor het project van de sportsite, een dossier dat daarna on hold werd gezet.

Trekt men alleen al die posten af, dan zakt de investering die werkelijk naar onze infrastructuur ging onder 1,20 miljoen euro in 2023 en onder 1,30 miljoen in 2024. Voor 14.760 inwoners is dat ongeveer 80 euro per inwoner per jaar.

Ik wil op één punt duidelijk zijn, want iets anders laten uitschijnen zou oneerlijk zijn: het nieuwe administratief centrum is een nuttige investering, en ze was nodig. Onze diensten zaten verspreid over verouderde en energieverslindende gebouwen; onze bibliotheek, onze scholen en onze inwoners verdienden beter. Dat gebouw is van de Wezembekenaren, het verrijkt duurzaam het patrimonium van de gemeente, en niemand in het college heeft er spijt van.

Mijn punt ligt elders: terwijl het werd gebouwd en vervolgens uitgerust, moest al de rest wachten. En er blijft een vraag van verhouding die legitiem is.

Afgezet tegen onze gemiddelde autofinancieringsmarge van de voorbije vijf jaar — 2,09 miljoen euro per jaar — vertegenwoordigen de 22,5 miljoen van het NAC bijna elf jaar investeringscapaciteit. Een deel werd gefinancierd met de verkoop van gemeentelijke gronden en gebouwen: 12,3 miljoen euro aan vastgoedverkopen tussen 2020 en 2024. Netto na die verkopen blijft de factuur rond 10 miljoen, oftewel vijf jaar marge. En de nieuwe loods, met 7,2 miljoen, slorpt er nog eens drieënhalf op.

Ik zeg niet dat die projecten er niet hadden mogen komen. Ik zeg dat in een gemeente van 14.760 inwoners de vraag naar hun omvang gesteld had moeten worden — en dat we, omdat ze niet werd gesteld, vandaag al de rest moeten inhalen.

Dit alles vertelt hetzelfde verhaal, en het is sprekender dan om het even welke vergelijking met het budget: de reserve is niet opgebouwd door zuinigheid. Ze is opgebouwd in de jaren waarin er elders niet meer werd geïnvesteerd — en deels door gemeentelijk patrimonium te verkopen.

Wat deze cijfers zeggen — en wat ze niet zeggen

Het budgettair resultaat van het boekjaar 2025 is negatief: −1,39 miljoen euro. Dat is normaal en zelfs gewild: we putten uit de reserve die de voorbije jaren werd opgebouwd om investeringen te financieren.

Dat resultaat is 6,2 miljoen euro beter dan wat ons meerjarenplan aankondigde. Ik ga mezelf daar niet mee feliciteren, en ik leg graag uit waarom. Een meerjarenplan wordt opgesteld door de verkozenen zelf: beter doen dan je eigen ramingen bewijst niets over de kwaliteit van een beleid. Een gemeente die elk jaar pessimistische budgetten inschrijft, kan zichzelf applaudisseren zonder iets verbeterd te hebben. De indicatoren die tellen zijn die welke niet van onze eigen hypothesen afhangen: onze schuldgraad, ons vermogen om onze infrastructuur te financieren, en de reële evolutie van onze uitgaven in de tijd.

Dat verschil verdient wel uitleg, want het zegt veel over wat ons te wachten staat. Het bestaat uit drie elementen:

●       Een uitzonderlijke fiscale ontvangst: de aanvullende personenbelasting bracht 9,50 miljoen euro op in plaats van de begrote 8,34 miljoen, dus 1,16 miljoen meer.

●       Beheerste werkingsuitgaven: goederen en diensten werden gerealiseerd aan 84 % van het budget (0,8 miljoen minder dan voorzien), de personeelskosten aan 96 % (0,5 miljoen minder).

●       Een realisatiegraad van de investeringen van slechts 58 %: 3,7 miljoen euro niet-gebruikte kredieten werd overgedragen naar 2026.

Het is belangrijk om precies uit te leggen waar die extra belastingontvangst vandaan komt, want daar draait alles om. Ze wijst niet op hogere inkomens bij onze inwoners, en evenmin op een verbetering van onze situatie. Ze komt voort uit een eenmalige afrekening van 1.372.878 euro die de FOD Financiën in 2025 heeft doorgestort: het verschil tussen de voorschotten die we ontvingen van september 2024 tot en met april 2025 en de bedragen die voor die periode effectief verschuldigd waren. Het is een gevolg van het inkohieringsritme van de federale overheid — een kalendereffect, geen trend. Zonder die afrekening zou de aanvullende personenbelasting ongeveer 8,13 miljoen euro hebben opgebracht, dus lichtjes onder budget.

Een tweede nuancering, bij de investeringen: een uitgestelde investering is geen besparing, maar een verschoven uitgave. De 3,7 miljoen euro die in 2025 niet werd gebruikt, zal alsnog moeten worden uitgegeven — die kredieten zijn trouwens ingeschreven op 2026.

De resultaten van 2025 zijn goed, maar ze weerspiegelen nog niet volledig de financiële rigueur die we onszelf opleggen. Die zal vooral in de komende boekjaren haar effect hebben.

De erfenis: een hoge reserve die een achterstand verborg

Op 31 december 2024 beschikten gemeente en OCMW over een gecumuleerd budgettair resultaat van 24,75 miljoen euro. Op het eerste gezicht een comfortabele reserve.

De werkelijkheid is genuanceerder, en dat moeten we eerlijk uitleggen: een hoge reserve is niet automatisch een teken van goed beheer. Het kan evengoed betekenen dat noodzakelijke investeringen niet tijdig werden uitgevoerd.

Dat is grotendeels ons geval. Het overgrote deel van dat bedrag was al bestemd:

●       Voor reeds opgestarte projecten, zoals de bouw van de nieuwe werkliedenloods: een werf van 7,2 miljoen euro in totaal, gestart midden 2025, waarvan het grootste deel in 2026 wordt betaald.

●       Voor het wegwerken van een aanzienlijke investeringsachterstand in onze infrastructuur: de projecten rond gescheiden riolering samen met Riopact, het buitengewoon onderhoud van onze wegen, de uitbreiding van het kerkhof, de renovatie van onze gebouwen.

Dat is geen stijlfiguur: het is becijferd en het werd aan de gemeenteraad voorgesteld. Van de 23,9 miljoen euro investeringen die in het meerjarenplan 2026-2031 zijn ingeschreven, is dit het saldo van projecten die al onder de vorige legislatuur werden opgestart:


Bijna twee derde van onze investeringscapaciteit voor de komende zes jaar ligt dus al vast, nog vóór wij ook maar iets hebben beslist. Dat is de realiteit achter het cijfer van de reserve.

Het resterende derde financiert onze eigen prioriteiten: de renovatie van de sportsite, de heraanleg van de vijver van het Warandepark, de vernieuwing van de voetpaden. En net daar is het verschil in aanpak meetbaar. Een heel concrete voorbeeld: De sportpleinstraat site. Het renovatieproject werd onder de vorige legislatuur geraamd op 4,5 miljoen euro. In ons plan staat het ingeschreven voor 1,2 miljoen euro — voor dezelfde behoefte.

Met andere woorden: de 15,3 miljoen euro erfenis die u hierboven leest, is al het resultaat van onze eigen keuzes. Zonder dat herschalingswerk zou het bedrag merkelijk hoger liggen — en zou de reserve ruim vóór het einde van de legislatuur uitgeput zijn.

Er is nog een tweede, structurelere vaststelling. Twee beslissingen van de vorige legislatuur wegen blijvend op onze werkingsuitgaven: het onderhoud van het nieuwe administratief centrum — met het gemeentehuis, de bibliotheek en de gemeenteschool — en de uitbreiding van het personeelskader van onze politiezone.

Een nieuw gebouw kost niet één keer geld: het moet elk jaar verwarmd, schoongemaakt, onderhouden en hersteld worden. En bijkomend personeel is een terugkerende last, geen eenmalige uitgave.

In principe valt elk van die beslissingen te verdedigen: niemand betwist het nut van een bibliotheek, een school of een goed bemande politie. Het probleem ligt elders, en het is tweeledig. Enerzijds zijn onze ontvangsten niet in hetzelfde tempo meegegroeid als die lasten. Anderzijds, en vooral, werden die realisaties gedimensioneerd voor een grotere gemeente dan de onze: noch onze schaal, noch onze ontvangstenbasis lieten toe om de terugkerende uitgaven die ze meebrengen duurzaam te dragen. De vorige meerderheid heeft te groot gedacht.

Het is vandaag aan ons om daar de gevolgen van te dragen, en we doen dat zonder klagen: een gemeente bestuur je niet door voortdurend achterom te kijken. Maar onze inwoners hebben het recht te weten waar het onevenwicht vandaan komt dat we vandaag rechtzetten.

Het resultaat is dit: we leefden boven onze stand. En dat de reserve hoog was, is niet het gevolg van zuinig beheer. Ze bouwde zich op omdat er, naast de grote prestigeprojecten — het nieuwe administratief centrum en de gemeentelijke loods — niet langer werd geïnvesteerd in onze basisinfrastructuur. Onze wegen, onze riolering en onze voetpaden hebben moeten wachten. De reserve was dus geen spaarpot: het was een uitgestelde factuur.

De echte thermometer: de autofinancieringsmarge

De autofinancieringsmarge is de belangrijkste indicator om de financiële gezondheid van een gemeente te beoordelen. Ze meet wat er jaarlijks overblijft uit onze gewone werking, nadat alle lasten betaald en alle leningen afgelost zijn. Concreet: wat we kunnen besteden aan het onderhoud en de vernieuwing van onze infrastructuur zonder schulden te maken of de kas leeg te halen.

In 2025 bedraagt ze 3,25 miljoen euro. Het brutocijfer is uitstekend. Maar het moet gecorrigeerd worden voor wat zich niet zal herhalen: de afrekening van 1,37 miljoen van de FOD Financiën, en een afkoopsom van 120.900 euro die op vraag van het Toezicht als exploitatieontvangst werd geboekt. Na neutralisering van die elementen bedraagt onze reële marge voor 2025 ongeveer 1,8 miljoen euro.

Met andere woorden: waar het brutocijfer de indruk wekt dat we over het dubbele beschikken van wat we nodig hebben, zitten we in werkelijkheid net op het minimaal noodzakelijke niveau. Hier is de marge van de zes voorbije boekjaren, en die van het meerjarenplan dat in december werd goedgekeurd:

Twee zaken springen in het oog. Ten eerste de volatiliteit: 350.000 euro in 2022, 4,67 miljoen in 2023. Een gemeente beoordeel je dus nooit op één enkel jaar, en die schommelingen hebben grotendeels te maken met het ritme waarmee de federale overheid ons de belastingen doorstort — niet met onze beslissingen.

Het tweede is zorgwekkender. Over de vijf boekjaren 2020-2024 bedroeg onze marge gemiddeld 2,09 miljoen euro per jaar. Het meerjarenplan dat we hebben goedgekeurd, voorziet er voor 2026-2031 gemiddeld nog maar 898.000 euro: minder dan de helft. Voor een gemeente van onze omvang en met ons patrimonium zou duurzaam 1,5 tot 2 miljoen per jaar nodig zijn om gezond te kunnen herinvesteren in onze infrastructuur.

Het is dát cijfer, en niet de omvang van de reserve, dat onze beslissingen moet sturen. En het is de echte uitdaging van deze legislatuur.

Wat we concreet doen

Sinds onze aantreding stellen we elke uitgave in vraag en saneren we waar het kan — met één vereiste: dat de maatregelen structureel zijn en op lange termijn doordacht, en geen schijnbesparingen om één boekjaar mooier te doen ogen.

Bij de werkingsuitgaven. We verminderen het aantal softwarepakketten en licenties, we zeggen lidmaatschappen op die geen meerwaarde meer bieden, we verlagen de administratieve kosten, we schakelen over van reactief naar preventief en rollend onderhoud — een weg tijdig onderhouden kost veel minder dan hem volledig moeten heraanleggen — en we voeren een herstructurering van het personeel door, veruit de grootste uitgavenpost van de gemeente. Het gaat er niet om minder te doen met minder, maar om de competenties die we al in huis hebben beter in te zetten en zo minder een beroep te moeten doen op externe dienstverleners.

Bij de politiezone. Onze bijdrage aan zone WOKRA overschrijdt 3,7 miljoen euro per jaar en zal de komende jaren blijven stijgen. Ik zetel uiteraard in het politiecollege van de zone, maar ik wil niet van de ene dag op de andere alles omgooien. Het budget van de zone steunt op een werkfilosofie die ik respecteer: politie op mensenmaat. We zullen dus stap voor stap bijsturen, en erover waken dat er niets instort. Stabiliteit heeft waarde, ook financieel.

Bij de investeringen. Nieuwe projecten worden bewust beperkt en systematisch herbekeken op hun omvang. Daarnaast zoeken we voor elk dossier naar een maximum aan subsidies: een VIPA-subsidie van 186.667 euro eind 2025 voor kinderopvanginfrastructuur, een studie rond de vijver van het Warandepark die voor 75 % gesubsidieerd wordt, de cofinanciering van de Riopactprojecten, en de subsidies voor de vernieuwing van het voetbalveld.

Tot slot moeten we ook rekening houden met lasten die niet van ons afhangen: de indexering van de lonen, de stijgende pensioenlasten en de dalende energiedividenden. Een reden te meer om streng te zijn op al de rest.

En onze belastingen dan?

Dat is de vraag die het vaakst terugkomt, en ze is terecht. Onze gemeentebelastingen stijgen niet. Dat de fiscale ontvangsten van de gemeente jaar na jaar toenemen, is het gevolg van de indexering van de lonen en van de kadastrale inkomens, niet van een beslissing van het college.

De taxshift die dit jaar in werking trad, had nooit tot doel onze ontvangsten te verhogen. Hij verschuift een deel van de last: de aanvullende personenbelasting daalt van 7,2 % naar 6,5 %, terwijl de opcentiemen op de onroerende voorheffing van 535 naar 602 gaan. De doelstelling is drievoudig: een eerlijkere verdeling van de fiscale last over de inwoners, stabielere ontvangsten voor de gemeente, en minder administratieve lasten.

Mijn intentie is dit fiscale niveau te behouden. De portefeuille van onze inwoners mag niet de sluitpost worden van gemeentelijke uitgaven die we niet onder controle zouden hebben gekregen. En als de resultaten van de komende jaren het toelaten, zal een verlaging van de tarieven worden onderzocht.

Onze doelstelling: minstens 5 miljoen euro reserve op het einde van de legislatuur

Het meerjarenplan 2026-2031 eindigt, zoals het werd goedgekeurd, met 36.544 euro beschikbaar budgettair resultaat. Ik heb het al meermaals in de gemeenteraad gezegd en ik herhaal het hier publiek:

Als we de legislatuur werkelijk met dat bedrag afsluiten, beschouw ik dat als een mislukking. Onze doelstelling is heel duidelijk: tegen eind 2030 een reserve van minstens 5 miljoen euro aanhouden, om de volgende legislaturen niet te hypothekeren.

Een meerjarenplan is geen voorspelling, het is een maximumkader. Elke euro die we structureel besparen, elke subsidie die we binnenhalen, elk project dat we verstandig herschalen, brengt ons dichter bij die doelstelling. Dat is het dagelijkse werk van het college en van onze diensten, en ik wil daarvoor uitdrukkelijk het voltallige gemeentepersoneel bedanken, evenals onze algemeen directeur en onze financieel directeur.

Hebt u vragen, aarzel dan niet om mij te contacteren of langs te komen op een volgend « banc public ».

Nicolas Celis

Next
Next

Tax Shift